STANDPUNT BIOLOGISCHE WERKGROEP OVER HET GEBRUIK VAN STAALSLAKKEN ALS VOOROEVERVERDEDIGING

Verwoord door: Rob Leewis

Hergebruik van afvalproducten is, als het vanuit praktisch oogpunt gezien veilig kan gebeuren, een belangrijke stap op weg naar een maatschappij waarin minder wordt weggegooid. Ovenslakken zijn heel geschikt voor dijkbescherming, omdat ze relatief zwaar zijn.

Er zitten echter ook nadelen aan vast. Ovenslakken bevatten stoffen die in het water terecht kunnen komen (het zgn. uitlogen). Bij metaalsakken zijn dat vooral zware metalen. Staalslakken bevatten uiteraard ijzer, maar ook andere metalen. In zoet water komen die stoffen gemakkelijk vrij in het water; in zout water is dat minder, omdat zich een oxidelaagje rond de slak vormt, die daardoor afgeschermd wordt. Dat laagje kan echter beschadigd worden, bijvoorbeeld doordat de slak in de stroming beweegt, of doordat er een organisme op gaat groeien. Dan komen er weer stoffen vrij, en in het laatste geval dus rechtstreeks in dat organisme. Onderzoek van Rijkswaterstaat in de tachtiger jaren van de vorige eeuw kon niet aantonen dat organismen daar heel veel last van hadden. Toch was staalslak in vergelijking met andere materialen voor dijkversterking slechts matig begroeid. En wat gebeurt er als zulke organismen opgegeten worden door andere: dan treedt accumalatie in de voedselketen op. En dan kunnen mogelijk wel ernstige effecten optreden. Hetzelfde geldt wanneer op slakken gegroeide organismen een natuurlijke dood sterven: dan komen die stoffen vrij in het water. Als het hard stroomt is dat niet zo erg, maar als er weinig stroming is blijven die stoffen in de buurt hangen, en kunnen andere organismen ze weer opnemen. Dat geldt bijvoorbeeld voor mosselen. Die kunnen er zelf er g goed tegen, maar dat is juist het probleem: misschien kan iemand die die mosselen eet er wel helemaal niet zo goed tegen.

Er zijn nog twee andere dingen van belang: de ruwheid van het oppervlak, en de afmeting van de stenen. In het algemeen geldt: hoe ruwer, hoe beter begroeid. Voorbeeld: beton is zeer goed begroeid. Staalslak is matig ruw. En de afmeting: als een kleine steen begroeid raakt, wordt het oppervlak waarop stroming vat kan krijgen op de steen groter, maar het gewicht (in het water) hoegenaamd niet. Dat betekent, dat zon steen gemakkelijker door de stroming omver geduwd wordt, en dus dat het organisme er dan gewoon weer afgeschraapt wordt. De grens is (globaal) 10 cm doorsnede, voor materialen met een gemiddeld soortelijk gewicht. Bij grotere stenen telt dit niet meer. Maar de afmeting van staalslakken ligt ongeveer tussen de 4 en de 18 cm doorsnede, en het soortelijk gewicht ligt rond de 2,5. De kleinere stenen kennen dit probleem dus wel degelijk.

Wat moet er gebeuren?

Er zijn verschillende soorten staalslakken afhankelijk van het proces van de staalfabricage. Die bevatten dus ook verschillende hoeveelheden stoffen. Ten eerste zou nagegaan moeten worden om welke stoffen en hoeveelheden het gaat. En er zouden uitloogproeven gedaan moeten worden. Dat kan in het laboratorium, met verschillende stroomsnelheden. Tevens zou er gekeken moeten worden wat voor stoffen er opgenomen worden door organismen die groeien op de slakken. Er zou ook op plaatsen waar gestort gaat worden een 0-meting van de begroeiing verricht moeten worden. Dat is ook een uitkomst van de workshop die al enige maanden geleden door RWS was georganiseerd. En dan moet gemonitord worden wat er gebeurt: dus na bijvoorbeeld 6 en 12 maanden nog een keer begroeiing bepalen. Eventueel kan de Westerschelde waar al gestort is als proefgebied gebruikt worden. Al deze dingen kunnen op dezelfde manier gedaan worden al ze in de jaren tachtig zijn uitgevoerd. Dan zijn ze ook goed vergelijkbaar. En wat heel belangrijk is: het basiswerk hoeft slechts enkele weken in beslag te nemen. Daarna kunnen beslissingen genomen worden die beter gefundeerd zijn dan nu. Het onderhoud van de dijken is uiteraard van levensbelang voor Zeeland, daarover is geen twijfel. RWS heeft ook al laten zien dat men bereid is het onderwaterleven zoveel mogelijk te bevorderen door allerlei variaties toe te passen bij het aanbrengen van nieuw beschermingsmateriaal, volgens ideen die tijdens genoemde workshop naar voren zijn gebracht. Dan moet echter niet de fout gemaakt worden materialen te gebruiken die mogelijk schade aan het onderwaterleven kunnen toebrengen. Een grondige check vooraf is wat de Biologische Werkgroep noodzakelijk vindt. Daarna zijn er vele mogelijkheden om dit werk uit te voeren op een manier waar iedereen zich in kan vinden!

Vanuit milieu-oogpunt moet je er naar streven om zoveel mogelijk materialen te hergebruiken, al moet je afvragen of je dat hergebruik in een natuurgebied moet plaats vinden, laat staan een Natura 2000 gebied.